Producten

Geschiedenis


De korenmolen van Kilder
1 De familie Welling

Foto genomen ter gelegenheid van het 25- jarig huwelijk van Bernard Welling en Cato
Boesting in 1919, van links naar rechts: Frans, Marie, vader Bernard, Anna, Antoon,
moeder Cato, Koos, Leis, Riek en Daat. Op 18-jarige leeftijd zal Frans zijn vader
opvolgen als molenaar.

Door de groei van de bevolking in het Montferland wordt de behoefte aan korenmolens in de negentiende eeuw gestaag groter. In 1854 laat Hendrikus Antonius (Hend) Welling aan de
oostzijde van de weg van Kilder naar Het Broek een korenmolen bouwen. Hij werd op 25 juni
1830 geboren als zoon van Bernardus Welling en Gerritje Vos en was toen dus nog maar 24
jaar oud. Vader Bernadus werd op 13 december 1781 te Ulft geboren en stamde uit een
familie van dagloners en jagers. Na zijn huwelijk met Gerritje Vos was hij in het Wehlsebroek
gaan wonen, waar hij stond ingeschreven als jager. Waar Hendrikus het molenaarsvak heeft
geleerd is niet bekend. Wellicht heeft hij bij het oprichten van de molen steun gehad van zijn
familie van moeders kant, want de nieuwe molen laat hij de Vos noemen. In 1860 trouwt hij
met Antonia Koster. Ze woonden in een huis achter de molen en beginnen daar een boerderij
annex bakkerij en winkel. Helemaal onbekend met het bakkersvak zal hij niet zijn geweest,
want zijn oudere broer Jan was bakker in Wehlsebroek. Deze bakkerij wordt later uitgebreid
met een boerderij annex herberg en winkel, die hij samen met broer Gerard en zijn
schoonzuster drijft. Bij de bouw van de kerk in Kilder begint Jan daar een bakkerij. Voor de
molen zal er dus wel afzet zijn geweest.
Hendrikus en Gerritje krijgen vijf zonen en één dochter. De oudste zoon Bernard (Bernardus
Hendricus Antonius, 25-6-1862 / 28-4-1922) werd molenaar en bouwde na zijn huwelijk met
Cato Boesting (Catharine Hendrika, 4-3-1867 / 17-8-1953) in 1894 een huis aan de andere kant
van de molen. De dochter Hanneke trouwde met Bernard Gerritsen en werd boerin op de
Lindebeum, zoon Piet werd Timmerman annex kruidenier aan de Molenweg, nabij het
kerkhof. Hij had de gewoonte allerlei gebeurtenissen en wetenswaardigheden op te schrijven,
waaraan nu veel gegevens aan ontleend konden worden. Zoon Gert neemt het boerderij
gedeelte over en Antoon neemt het bakkerij-kruidenier gedeelte voor zijn rekening. De
jongste zoon Hend helpt zijn broer Bernard op de molen. In 1909 begint hij een stoommolen
annex bakkerij aan de Doetinchemseweg.
Molenaar Bernard is de laatste jaren van zijn leven erg ziek, zodat zijn zoon Frans (Fransicus
Johannes, 23-3-1904 / 29-1-1987) al jong veel werk in de molen moet doen. In 1922 overlijd
Benard Welling en wordt Frans op 18 jarige leeftijd molenaar.

2 De molen

(Rond 1925)

Wat voor molen Hend Welling daar in 1854 heeft opgericht is niet helemaal duidelijk. In het
Gelders Molenboek staat dat het een achtkante houten molen was die in 1882 verbouwd is tot
ronde stenen molen. Op de begane grond van de huidige molen is duidelijk een achtkante
fundering te zien. De huidige molen staat dan op de fundering van de achtkante voorganger.
Uit de bouwbestekken van de korenmolen van Vlaardingen en de Boterhuismolen te
Warmond blijkt dat voor ronde stenen molens vaak een achtkante houten fundering wordt
gemaakt. Met houten planken en balken formeert men nu eenmaal gemakkelijker een veelkant
dan een cirkel. Het zou ook mogelijk zijn dat men in Kilder tot het maaiveld de fundering
achtkant heeft gemetseld en daarna pas begonnen is met de cirkelvorm, al lijkt het logischer
om gelijk rond te beginnen. De grondslag ter plaatse is ook zodanig dat een fundering op staal
meer voor de hand ligt en er helemaal geen hout nodig is voor de fundering.
Ten opzichte van stenen molens hebben houten molens het voordeel goedkoper en lichter te
zijn. Bovendien kunnen ze beter waterdicht worden gehouden. Dat stenen molens veel
duurzamer zijn was vaak een reden om ze te bouwen, maar in de praktijk kon dat erg
tegenvallen. Vooral conische stenen molens zijn nogal gevoelig voor inwatering en alleen als
ze werden gemaakt door de beste metselaars, met gebruik van de beste stenen en mortel was
het mogelijk een molen te maken die zonder veel onderhoud de eeuwen kon doorstaan.
Meestal mankeerde er wel iets aan één van deze drie voorwaarden. In Nederland zijn
tegenwoordig de stenen molens die helemaal waterdicht zijn en geen last hebben van scheuren
op de vingers van één hand te tellen.
Een groot nadeel van een houten molen is zijn brandbaarheid. Na het afbranden van een
houten molen ziet men vaak dat de opvolger van steen wordt gemaakt. Dat zou in Kilder ook
het geval kunnen zijn geweest, maar in de plaatselijke kranten was daarover niets te vinden.
Verwacht mag toch worden dat zo’n molenbrand de aandacht van die kranten zou hebben
getrokken. In het Gelders Molenboek staat het volgende geschreven: “De oorspronkelijke
achtkantige, van hout geconstrueerde romp van de uit 1854 daterende molen, is in 1882 bij
een ingrijpende verbouwing vervangen door een ronde stenen romp. De molen is toen 3,50m
hoger opgetrokken en van een belt voorzien.”.
Hier worden twee gebeurtenissen gecombineerd die niet te combineren zijn. Aan de huidige
molen is duidelijk te zien dat hij als grondzeiler is gebouwd en later is verhoogd tot
beltmolen. Het bovenste metselwerk wijkt duidelijk af van het onderste gedeelte. De onderste
stenen zijn handgevormde stenen, terwijl de bovenste stenen machinaal zijn gevormd. De
muren van een stenen molen schragen zich zelf en hebben geen muurankers nodig. In het
onderste gedeelte ontbreken die dan ook, maar in het bovenste gedeelte zijn ze wel
aangebracht, wat wijst op andere bouwers. Op de begane grond zijn twee dichtgemetselde
vensters te zien, die nu onder de grond zitten, maar van glas waren voorzien toen de molen
nog grondzeiler was.
Onduidelijk blijft of er eerst een achtkante molen is gesticht, die later is vervangen door een
ronde stenen grondzeiler. Zeker is dat de stenen molen verhoogd en verbouwd is tot
beltmolen. De balklagen in de huidige molen zijn voornamelijk van tweedehands hout
gemaakt, maar duidelijk niet afkomstig van een molen. Dit wijst er op dat de eventuele houten
molen in zijn geheel is verkocht of helemaal verloren is gegaan. Het kan ook zijn dat men na
het maken van de fundering al bedenkingen kreeg en toen gelijk de molen verder van steen
heeft gemaakt. De molen is dan 1882 verbouwd tot beltmolen. Het jaartal 1882 kan ook het
bouwjaar van de stenen grondzeiler zijn. Niet uitgesloten moet worden dat de verbouwing tot
beltmolen pas later heeft plaatsgevonden.
De grondzeiler had op de begane grond op het noorden en zuiden een venster en twee smalle
ingangsdeuren. Aan de westzijde is de segmentboog boven deze deur nog goed te zien. De
beide brede ingangen zijn nogal onprofessioneel uitgebroken en worden ook niet gedekt door
een rollaag. De beide vensters zijn dus thans dichtgemetseld, maar nog wel goed te zien.
Zoals gebruikelijk bij grondzeilers zal de eerste zolder wel steenzolder zijn geweest en werd
er onder gemalen. Vandaar ook de aanwezigheid van twee nissen voor de plaatsing van een
kaars of olielamp.
Opmerkelijk is de plaatsing van het huisnummer boven de westelijke ingang. Zo vlak onder
het brugdek is dit van de straat slecht te zien, dus misschien is dit al aangebracht toen de
molen nog grondzeiler was. In ieder geval is het aangebracht voordat het einde van de ingang
van de belt werd dichtgemetseld. Op de foto valt te zien dat er naast de muuropening ook niet
zo veel ruimte is voor het nummerplaatje, maar als het in de tijd is aangebracht dat de molen
al beltmolen was zou een wat lagere plaatsing voor de hand hebben gelegen. Aan de andere
kant werden dergelijk geëmailleerde plaatjes meestal pas na 1920 aangebracht. Als de molen
toen nog grondzeiler was geweest waren er wellicht nog foto’s van opgedoken.
Standerdmolens waren vrijwel altijd grondzeilers. Ze konden dan veel last krijgen van
bebouwing. Bij steden werd dit opgelost door de molens op de wallen te plaatsen. Op het
platteland waren de mogelijkheden groter om de molen op voldoende afstand te plaatsen van
objecten die de wind konden hinderen. Uiteraard koos men er vaak voor om de molen op een
natuurlijke verhoging in het landschap te plaatsen. Als de molen op was werd de nieuwe
molen vaak weer een grondzeiler, tenzij er te veel windbelemmering door nieuwe bebouwing
werd ondervonden. In dat geval werd de nieuwe houten of stenen molen vaak voorzien van
een stelling, zodat de wieken boven de daken konden draaien. Dit had tevens als voordeel dat
de ingangen niet meer geblokkeerd konden worden door de draaiende wieken en de staart met
zijn kettingen. Ook kreeg men zo meer ruimte voor opslag in de molen. Voorheen was er niet
veel opslagruimte nodig, want de boer die zijn graan liet malen nam meestal gelijk het meel
weer mee. Vandaar wie het eerst komt, die het eerst maalt. Later werden graan en meel steeds
meer handelsobjecten en was er steeds meer opslagruimte nodig, vooral toen werd overgegaan
op het malen van veevoer.
Het nadeel van een stellingmolen ten opzichte van een grondzeiler is dat er nu meer trap moet
worden gelopen. Verder is er voor de bouw van een stelling nogal wat hout nodig dat ook
weer onderhouden moet worden. Als de stelling niet hoger is dan één verdieping, is het
opwerpen van een belt ook een alternatief. De belt behoeft uiteraard ook onderhoud (maaien,
verzakkingen verhelpen, kruipalen vernieuwen enz.) maar hoeft niet geteerd en geschilderd te
worden. Om het graan te brengen en het meel af te voeren zijn er een inrit en uitrit door de
belt nodig. Vaak worden deze voorzien van een gemetseld gewelf, maar ook is het mogelijk
om hier een houten brug over te maken. In Kilder liggen er thans betondekken over. Om
vanuit de molen bij de zeilen en de staart te komen zijn er vrijwel altijd twee of meer deuren
op belthoogte in de romp aangebracht.
In Kilder zit maar één zo’n deur, die ook duidelijk niet in het bestaande metselwerk is
uitgespaard, maar er later is ingebroken. Dit is ook een aanwijzing dat de molen van
grondzeiler in een beltmolen is veranderd. Toch is er iets merkwaardigs met deze verhoging.
Door de romp zover op te metselen als de belt hoog wordt kan men dezelfde vlucht behouden.
In Kilder heeft men de romp echter in dezelfde schuinte als het onderste gedeelte
opgemetseld. Dit is voor het gezicht wel fraai, maar de kap moet zo een stuk kleiner worden
gemaakt. Dergelijke verhogingen komen meer voor, maar meestal trekt men de romp dan
verder loodrecht omhoog of men voorziet de bovenkant van het metselwerk van een
versierend uitgemetselde kraag die zover buiten de romp steekt dan de kap dezelfde grootte
kan houden.
In Kilder moet een nieuwe en kleinere kap zijn gemaakt. Misschien dat het gebruik van een
kuipstuk als latei boven de beltdeur en het gebruiken van een kapspant als strijkbalk in de
eerste verdiepingsbalklaag hiervoor aanwijzingen zijn, maar waarschijnlijk
betreft het hier vernieuwen van oude balken door onderdelen van de naar beneden gestorte
kap. De belt is opgeworpen tot de eerste zolder, welke 2,90 m boven de begane grond ligt.
Het nieuwe metselwerk is 3,87m hoog, zodat het er op lijkt dat de vlucht toen ook is vergroot,
maar het kan ook zijn dat men eerst een gedeelte van de bovenste lagen metselwerk heeft
verwijderd. In het oude metselwerk zijn geen sporen van steigergaten waargenomen.
Misschien waren die er niet of heeft men inderdaad een gedeelte van het oude metselwerk
afgebroken.
Meestal maakt men de muren van stenen molens bij iedere zolder een halve steen dunner,
zodat de zolders daar op het metselwerk kunnen rusten, maar in Kilder is dat nergens het
geval. De muren zijn overal even dik (ongeveer 45 cm) en versnijden nergens. De onderste
stenen zijn van roodbakkende klei, gemiddeld 5 x 10 x 22,5 cm groot. De bovenste stenen zijn
wat paarser en zijn gemiddeld 5,5 x 10 x 22 cm groot. Op de onderstaande tekening valt te
zien dat de overgang van het oude naar het nieuwe metselwerk ongeveer ter hoogte van de
ijzerbalken liggen. De hoofdbalken in het nieuwe gedeelte zijn voorzien van een muuranker,
de overige balken niet.

3 Zelfzwichting

Dat de molen voor 1920 van zelfzwichting was voorzien is voor Gelderland wel bijzonder te
noemen. De zeilen van de binnenroede zijn vervangen door houten kleppen. Deze kleppen zijn draaibaar en gekoppeld door een treklat. Achter op de
kap zijn, behalve een windvaan, drie stokken te zien. De onderste stok is de gewone vangstok,
de bovenste stok is een vaste stok waar aan het einde een schijf zit gemonteerd. Hierover
loopt een ketting, waarvan beide einden naar beneden gaan. De middelste stok is aan deze
ketting vastgemaakt en kan hiermee omhoog of naar beneden worden getrokken. Met deze
beweging kan een stang, die door de bovenas loopt, heen en weer worden bewogen. De
bovenas is hiertoe hol geboord of hol gegoten. Deze (zelfzwicht)stang komt uit aan de
voorzijde van de askop en is zodanig via hefbomen en draaiarmen aan de treklatten verbonden
dat de kleppen met het naar beneden trekken van de middelste (wip)stok worden gesloten.
Door aan het andere ketting te trekken gaat de wipstok omhoog en worden de kleppen open
getrokken. Doordat de draaiingsassen iets uit het midden van de kleppen zijn aangebracht wil
de wind deze kleppen vanzelf open blazen. De centrifugale krachten op de treklatten zorgen er
voor dat deze latten met het malen naar buiten willen bewegen. Ook hierdoor zullen de
kleppen worden geopend. Door een gewicht aan het binnenste ketting te hangen worden deze
krachten tegengegaan. Het gewicht wil de kleppen dus juist sluiten. Door het juiste gewicht te
kiezen kan men de molen zelfzwichtend maken. In een bui zullen de kleppen dan door de
verhoogde winddruk en draaisnelheid worden geopend en na de bui zal het gewicht de
kleppen weer sluiten, als de wrijving in het hele systeem tenminste voldoende laag is.
Engeland moet worden gezien als de bakermat van dit systeem. Via Denemarken en het
noorden van Duitsland is het kort voor 1900 in de provincie Groningen geïntroduceerd. Het
voordeel ervan was dat een molenaar veel minder tijd kwijt was aan het veranderen van de
zeilvoering. Vooral bij buiig weer leverde dit systeem veel voordeel op. Niet alleen moet een
molen dan steeds weer stil gezet worden voor het veranderen van de zeilvoering, ook durft
men vaak niet al te veel zeil voor te leggen omdat de kans bestaat dat de molen dan in een bui
veel te hard zal gaan. Tussen de buien doet de molen dan niet veel. Met zelfzwichting kan
men onder het draaien de “zeilvoering” in één keer veranderen van vol naar leeg en andersom.
Behalve dat het systeem duurder is in aanschaf en veel onderhoud nodig heeft, is het ook
stormgevoeliger. Ook bij geopende kleppen vangt het geheel veel meer wind dan bij gewone
heklatten het geval is. Als de molen niet zuiver op de wind staat vangen vooral de open
kleppen van de horizontale roede veel wind. Vandaar dat er ook veel moleneigenaren waren
die het systeem maar op één roede lieten aanbrengen. Bij het wegzetten van de molen werd
deze roede altijd verticaal gezet. Bij wind van achteren willen de kleppen juist dichtslaan. Om
dit te voorkomen moet alles goed worden geborgd. Het toepassen van zelfzichting op één
roede geeft dan nog als voordeel dat onder die omstandigheden het onderste end in de luwte
staat van de molen. Verder zijn roeden met zelfzwichting altijd wat zwaarder dan roeden met
zeilen, hoewel het gewicht van natte katoenen zeilen niet onderschat moet worden. Om deze
reden werd de zelfzwichting altijd op de binnenroede aangebracht.

4 Elektromotor

Het is nog niet helemaal duidelijk wanneer de elektromotor is geplaatst. In de Graafschapbode
van 9 september 1926 staat de agenda van de gemeenteraad afgedrukt, waar bij punt 6
wordt voorgesteld om geld uit te trekken voor het aanbrengen van elektrische verlichting voor
de lagere school in Kilder.
Uit dit krantenartikel valt op te maken dat Kilder voor 1926 al over elektriciteit
beschikte.
Op foto’s rond 1935 valt te zien dat de westelijke toegang al is dichtgemetseld. Aangenomen wordt dat dit is gedaan om een ruimte te maken voor de elektromotor. Er bevinden zich  draden, en er is een paal van het transportnet te zien.
Omdat aanvankelijk de gedachte was dat de lange spruit bij het herstel van 1925 voorin is
gelegd zou deze foto van voor die tijd moeten zijn. Aan de reparatie van het metselwerk onder
de kuip is goed het gerepareerde metselwerk te zien. De spruit is dus in het midden blijven zitten en verder is goed te zien dat de kap een rietdek heeft gekregen. Voorheen was dat noch in Kilder noch in Hazerswoude het geval.
Verder valt linksboven de onderste ramen reparaties te zien aan het metselwerk, waaruit blijkt
dat er niet lang geleden een nieuwe balk is ingebracht. Wellicht heeft dat verband met de
komst van de elektromotor.
Voor de plaatsing van een Jacobsladder werd het zuidelijke maalkoppel verwijderd. Het
luiwerk was toen ook niet meer nodig en werd eveneens verwijderd. Het noordelijk
maalkoppel werd voorzien van een onder-aandrijving met twee haakse wielen.
Op de horizontale as kwam tegen de muur een stalen riemschijf en aan het andere einde van
die as een bonkelaar die met een spie-baan op deze as te verschuiven is. Als er op wind werd
gemalen kon deze bonkelaar zo uit het werk worden geschoven. Tegen de kapzolder is een
stalen hijslier aangebracht, waarmee de steenspil omhoog kan worden gehesen. Het ontkoppelen van het klauwijzer met de rijn was nodig als er op de motor werd gemalen.